Heythuysen - 11 september 2026 - In veel van mijn columns staat de natuur centraal en schenk ik aandacht aan flora en fauna. Tijdens mijn laatste ‘voorwandeling’ van een aangevraagde wandeling kwam ik in aanraking met ‘weren’. Beter bekend als ‘landweren’. Het woord tegenhouden, belemmeren of de toegang bemoeilijken kun je er met een beetje fantasie wél uithalen. Maar waar komt dat ‘geweer’ dan vandaan? En tegen wie moest er dan eigenlijk geweerd worden?

Nou, dat ‘geweer’ heeft inderdaad alles met ‘weren’ te maken. Alleen is het verhaal net iets anders dan je op het eerste gezicht zou denken. Het Middelnederlandse woord ghewere betekende oorspronkelijk namelijk verdediging, tegenweer of een wapen waarmee je je kon verdedigen. Het woord is afgeleid van weren: tegenhouden, afweren of verdedigen. Pas veel later werd ‘geweer’ de naam voor het lange vuurwapen zoals wij dat nu kennen. De eerste draagbare vuurwapens verschenen al in de 14de eeuw, maar die werden toen onder meer handbus of haakbus genoemd. Het woord ‘geweer’ had dus oorspronkelijk helemaal niets specifiek met een schietwapen te maken. Eigenlijk was een geweer in eerste instantie gewoon iets waarmee je je kon weren.
Hier in het Leudal zijn een drietal landweren terug te vinden.
Allereerst moet ik bekennen dat dit voor mij ook een verhelderende zoektocht was. Een landweer is eigenlijk een eenvoudig verdedigingswerk, bestaande uit een diepe greppel met een wal, vaak aangevuld met een dichte heg of struikgewas. Door de begroeiing te snoeien en te vlechten kon zo’n hindernis na verloop van tijd vrijwel ondoordringbaar worden.
Op de wal liet men dicht tegen elkaar groeiende bomen, struiken en vooral prikkend groen hun werk doen. Na een poosje liet je het als enthousiaste nietsnut, die anderen wilde beroven, wel uit je hoofd om je zomaar toegang te verschaffen tot de achtergelegen ‘heerlijkheid’.
De drie landweren rondom Neer, zoals die van de Houtgraven en Lankert, worden in verband gebracht met de Heren van Horn. Willem VI van Horn speelde daarbij in ieder geval een belangrijke rol. Deze verdedigingswerken moesten het Land van Horne beschermen tegen plunderaars en rondtrekkende of afgedankte soldatenbendes. Tja, wat ga je doen als je ontslagen bent, verder niets kunt en toch aan geld moet komen? Juist, boeren en handelaren ‘klieren’.
De boeren en andere ‘lokalisten’ van omliggende buurtschappen werden daarbij voor allerlei werkzaamheden ingezet. Het aanleggen en onderhouden van zo’n landweer was immers een flinke klus.
De drie landweren liggen dan ook zeer strategisch. Ze liggen tussen het veengebied van de Peel en de Maas. Bij Neer kwam het ontoegankelijke Peelgebied nagenoeg tot aan het Maasdal. Een plek waar je als zelfingenomen boef zeker niet doorheen wilt ‘koetjschen’, laat staan met je buit weg wilt vluchten. De landweren maakten de doorgangen smal en moeilijk toegankelijk en dwongen reizigers en vervoerders als het ware gebruik te maken van de doorgangen die men onder controle wilde houden.
Neer lag in de 14de en 15de eeuw aan belangrijke handelsverbindingen tussen Weert, Maaseik en Venlo. Zowel over land als via de Maas werden hier goederen vervoerd. In deze regionale handel ging het onder meer om Naamse steen, steenkool, graan, hout, wijn, zout, vis, laken, metaalwaren en aardewerk. Je begrijpt dat bij zo’n handelsverkeer ook geld van hand tot hand ging. Afhankelijk van de periode en de herkomst van de handelaar werden verschillende zilveren en gouden munten gebruikt, zoals penningen, groten en later stuivers en gouden, waaronder Rijnse, florijnen. Ook Brabantse, Luikse en Gelderse munten konden in deze grensregio een rol spelen. Een behoorlijke geldstroom dus, zou je zo zeggen!
Wanneer je dan ook een goed werkend verdedigingswerk wilt opbouwen, maak je natuurlijk gebruik van alle natuurlijke obstakels die voorhanden zijn.
De noordelijkste landweer ligt eigenlijk niet in het gebied van de Heren van Horn, maar op het Gelderse, ter hoogte van Kessel-Eijk. Beter bekend als de Lanterd- of Kesseler landweer. Bij de bossen rondom ‘de Keup’ vinden we nu nog altijd restanten van deze landweer.
In het westen vinden we de landweer ‘Houtgraven’. Deze landweer was in de loop der tijd verdwenen, maar gelukkig is een deel ervan weer zichtbaar gemaakt. Deze ‘Houtgraven’ ligt aan het Broekven, een zijweg van de Heldenseweg tussen Neer en Helden.
We vinden in Neer nog altijd straatnamen met Houtgraven, Gerhegge en het woord Slup. De namen verwijzen naar de hegge die daar stond en een slup is een nauwe doorgang in de landweer. ‘Dea sjlup weg!’ Zou hier een verband zijn met Slup in ons dialect?
De laatste van de drie is voor mij eigenlijk de bekendste, want die loopt vrijwel door mijn achtertuin. Het is tevens de langste. ‘De Roggelsche Landweer’. Deze liep dwars door het natuurgebied ‘Het Leudal’, vermoedelijk vanaf de omgeving van Helden tot aan Buggenum. Achter de boerderij Zeilsterhof in Nunhem is hiervan nog een klein restant terug te vinden.
Je kan uiteindelijk met een dergelijk simpel verdedigingswerk geen leger tegenhouden. Maar je kan wel zorgen dat vervoer met paard en wagen alleen ‘gemakkelijk’ en beheersbaar mogelijk was over de paden die men onder controle wilde houden. Binnenvallende roversbendes werden door een prikkelbare wal en diepe gracht enigszins gehinderd om met een buit te vluchten.
Een veel later verdedigingswerk, dat tijdens de Tachtigjarige Oorlog belangrijk werd, waren de schansen. Hier vluchtten de boeren met hun vee naartoe. Een schans was een aangelegde of versterkte vlucht- en verdedigingsplaats, vaak op een strategische plek in moeilijk toegankelijk terrein, bijvoorbeeld in of bij een moeras. De plaatselijke bevolking kende de weg ernaartoe en wist waar het veilig was.
Ook dit alles hoort tot ons erfgoed van het Leudal. Heerlijk toch om zo trots over onze wandelpaden te lopen mijmeren.
Tot een volgende keer, Ron
Ron Van Pol, voorzitter van Groen Hart Leudal, heeft sinds juni 2020 zijn eigen column bij DeltaLimburg.nl.
Kopfoto: © Foto en Film Leon van Lier